Kroniek van het kerkelijk zangkoor Sint Barbara te Scheulder. deel 2

 

De geschiedenis van her kerkelijk zangkoor hangt ten nauwste samen met de geschiedenis van de parochie. Aan de eis of de wens om gezongen diensten te verrichten dankt het zijn bestaan. In Scheulder gebeurde dat rons 1880.

Wel waren hier ook vóór die tijd jarenlang kerkelijke diensten verricht, maar niet regelmatig of op plechtige wijze.

Aanvankelijk kwamen paters Jezuïeten uit Wittem 's zondags een mis opdragen in de oude gasthuiskapel, gebouwd in 1630 en gelegen tegenover de huidige kerk. vanaf 1850 gebeurde dat in de tefenwoordige kerk, die tot 1865 hulpkerk bleef van Wijlre.

 

De 19e juli was voor de toenmalige bewoners van Scheulder een belangrijke dag.

"Bij koninklijk besluit van Willem III werd, op verlangen van ingezetenen van het gehucht Scheulder de Kerkfabryksraad (kerkbestuur) der parochie Wylre ontheven van het begeer over en alle bemoeyenis met de kapel te Scheulder".

Tevens werd bepaald "dat bij die kapel een eigen kerkfabryksraad macht worden ingesteld om het behee te voeren over de aan de kapel en het daaraan verbonden rectoraat behorende goederen en inkomsten".

 

De 28e januari 1869 verklaarde Mgr. Joh. A. Paredis, bisschop van Roermond "het rectoraat Schulder tot parochie om een einde te maken aan de moeilijkheden, die er voortdurend zijn tussen de parochie Wylre (moederkerk) en de inwoners van het gehucht Schulder.

De toenmalige rector werd pastoor, de kapel heette nu kerk en de naam rectoraat werd veranderd in parochie.

Aankondiging uit het handboekje voor de zaken der Roomsch Katholieke eredienst (zie hierboven).

 

In 1871 werd pastoor Peter Joh. Keesmeekers reeds opgevolgd door pastoor H. Haesen uit Oud-Vroenhoven.

Onder zijn stuwende leiding groeide Scheulder in enkele jaren uit tot een kleine maar volwaardige parochie. De kerk werd verfraaid, 'een nieuwe pastorele woning gebouwd", er kwamen stichtingen en legaten, het kerkhof werd aangelegd, beelden werden aangeschaft en de 23e juni 1878 trok voor het eerst de processie uit, 'pompeuse', langs de windmolen in de Lammerdel (inmiddels gesloopt).

 

Op zon- en feestdagen werden 2 H. Missen opgedragen en volgden 's middags de Vespers, in de mei- en oktobermaand het dagelijks Maria-Lof. Er werden zangmissalen en zangbundels aangeschaft en in 1879 werd het orgel geplaatst en volgde de aanstelling van een organist, orgeltrapper en voorzanger.

 

Voor het bijeenbrengen van het stipendium (het benodigde geld) hadden de 20 gezinshoofden, die toen tot de parochie behoorden zich met het plaatsen van hun handtekening verantwoordelijk gesteld.

Tevens zouden enkelen van hen de diensten met hun zang "opluistern". Dit is de start geweest van het koor, waarvan nu in 1981 het 100-jarig bestaan wordt gevierd.

 

Over dat begin, het ontstaan van het kerkelijk zangkoor vermelden de kerkregisters het volgende:

 

"In de zitting van october 1880 is door de Kerkfabrieksraad bepaald, wijl wij nu het orgel bezitten en een orgeltrapper nodig is aan den koster een jaarwedde mee te delen van vijf gulden, inbegrepen het luiden van de H. Donatusklok ten tijde van onweders, te zorgen voor het treden van het orgel, het spelen en voor het geven van zangleer in de wintermaanden".

 

Veel werk voor weinig geld. "Ik beken, zo schrijft pastoor Haesen, dat het zeer gering is en dat wanneer de fabriek bij magte is, deze som wel dient verhoogd te worden".

 

Maar de koster-organist-voorzanger-dirigent en ook de zangers waren er. Het koor was geboren.

 

Wanneer we aannemen, zoals uit de boeken blijkt, dat het kerkbestuur niet alleen de koster-organist aanstelde en zijn taak omschreef maar ook de muziek bestelde en de zangers een sigaar aanbood ter gelegenheid van het St, Cæciliafeest dan bestond het eerste bestuur van ons koor uit de volgende personen:

 

  • Ger. Lechanteur

  • J. Ramakers

  • C. Ploemen

  • Willem Schoenmakers

  • Christ. Pasmans en

  • Jan Dresen (ere-kerkmeester)

 

Enkele van hen waren ook zanger evenals de parochianen; I. Bastin, W. Lozen en M. Brouwers.

Koster-organist was Jean Hendrix, enkele jaren later opgevolgd door P. Heidendal.

Uit het "Register de Deliberatiën" (beraadslagingen/vergaderingen) en het "Stokregister der titels" van "het kerfabriek van Schulder"en ook uit het kasboek met zijn "Omschrijving der posten" blijkt, dat er aanvankelijk, vanwege de geringe betaling, nogal moeilijkheden zijn geweest tussen kerkbestuur en de koster-organist, hetgeen de zang en de verhouding onderling niet ten goede kwam.

het was dan ook niet verwonderlijk dat deze functies boal eens wisselden en dat er maar een paar mensen als kerkzanger wensten te worden aangemerkt.

In 1886 nam P. Heidendal ontslag. Tegelijkertijd werd benoemd tot organist Hubert Cruyen uit Schin op geul. Maar in !888 was ook hij weer verdwenen.

 

Gedurende één jaar werd het orgel toen bespeeld "door den jongen heer J. Prevoo uit Margraten totdat een jongen van Schulder zover was dat hij hem kon opvolgen". en dat gebeurde in 1889.

"Op  heden den derde February 1889 is als koster en organist aangesteld Hubert Deurenberg voor een jaarwedd van 65 gulden".